Ander Geld, Argumenten en Alternatieven

Inleiding

Er zijn steeds meer mensen (en organisaties) die zich inzetten voor andere vormen van geld. De belangrijkste waar dit artikel op gebaseerd is zijn: Margrit Kennedy, Bernard Lietaer, Richard Douthwaite, Henk van Arkel (en zijn Social Trade Organization, of STRO), Ad Broere, Stichting Ons Geld en in kleine mate Silvio Gesell die in 1906 al het huidige geldstelsel bekritiseerde. Het argument van hem dat door het huidige geldstelsel er continu geld stroomt van arm naar rijk, is nog steeds een belangrijk onderdeel van de huidige kritiek. Hieronder wordt uiteengezet

  1. wat de belangrijkste en meest gehoorde argumenten van hen zijn om het geldstelstelsel te hervormen.
  2. wat de belangrijkste alternatieven zijn waar zij voor pleiten (en die soms in de praktijk ontstaan)

 

Argumenten

Argument 1. Door het huidige geldstelsel stroomt er continu geld van arm naar rijk. 30% tot 40% van je inkomen wordt afgeroomd door mensen met geld.

Het meeste geld dat in de economie circuleert, is geschapen door particuliere banken. Zij scheppen geld uit het niets (of bijna niets, want een kleine reserve van 1- 4 % wordt door de centrale bank verplicht gesteld). Geld wordt dus uit niks gecreëerd wanneer een lening wordt afgesloten.

Hoe gaat dat in zijn werk? Als een gezin een huis koopt, of een bedrijf een lening afsluit, verschijnt er met een op de knop 200.000,- op de rekening. En de bank registreert een schuld van 200.000,-. Dat geld geeft het gezin of het bedrijf uit. Na 30 jaar heb je je schuld afbetaald. Met een rente van 2,5 % heb je ongeveer in totaal 75.000,- aan rente betaald. Dat kan meer of minder zijn afhankelijk van je hypotheekbepalingen. Maar bijna al het geld is op die manier in omloop gekomen. Als een schuld van 200.000,- is afbetaald, verdwijnt dat geld uit roulatie. Het kwam uit het niks en verdwijnt in het niks. Van de totale kosten voor het huis van 275.000,- is 27,27% betaald aan rente. Afhankelijk van de hoogte van de rente en de duur van een lening is dit percentage meer of minder.

Wij betalen niet alleen rente als we een lening afsluiten. Bedrijven rekenen hun kosten door in de producten of diensten die ze aan ons verkopen. Dus ook de rente die ze moeten betalen voor hun leningen. Dus bij alles waar we geld aan uitgeven, van voedsel en water tot kleding, telefoonabonnementen en huur voor je woning, betalen we de rente die daarin is doorgerekend.

Wanneer je een brood koopt moet een bakker daar niet alleen zijn lening mee afbetalen, maar ook de rente die hij moet betalen om de lening af te lossen. Van de prijs van elk brood komt dus een percentage bij de bank terecht die het geld geleend heeft en de rente ontvangt. Het percentage dat afgeroomd wordt door de bank is niet het rentepercentage (2,5% in het rekensommetje hierboven) maar het percentage dat de bank verdient als rendement (de 27,27% uit het rekensommetje hierboven). Dus bij elk brood van 1,50 dat je koopt, gaat het rendementspercentage naar de geldschieter.

Margrit Kennedy schrijft dat 40% van alle kosten van een bedrijf opgaan aan rentebetalingen. Henk van Arkel heeft het over een percentage van minimaal 30%. Ad Broere haalt een Duitse wetenschapper aan die voor 2012 heeft berekend dat dat percentage in Duitsland lag op 40%. Deze percentages liggen hoger dan de 27,27% die we net hebben uitgerekend in het rekensommetje met een hypotheek. Volgens deze wetenschappers wordt dus 30% tot 40% van alles waar je geld aan uitgeeft afgeroomd door mensen die geld bezitten.

Van elke euro die je ergens aan uitgeeft verdwijnt 30 tot 40 cent in de portemonnee van de geldbezitters van de wereld. Dit is één van de minst begrepen structurele oorzaken waarom rijken rijker worden ten koste van armen.

 

Maar niet alle kosten die in een product zijn doorberekend gaan toch op aan leningen en de rente erover? Er wordt toch ook loon in doorberekend en belasting en dergelijke?

Lonen zijn een ander belangrijke kostenpost voor bedrijven die ze doorberekenen in de prijs. Maar ook in de hoogte van lonen is een percentage opgenomen dat als rente betaald wordt om de verplichtingen aan de bank te kunnen nakomen. Werknemers gebruiken hun loon voor een deel voor het betalen van hun woning (huur of hypotheek). Ook een woningbouwcorporatie heeft voor het bouwen van huurwoningen hypotheken afgesloten waarover rente moet worden betaald. En ook in het betalen van de dagelijkse levensbehoeften zit het rendement voor banken berekend. Want de winkelier en de supermarkt lenen ook bij de bank. Bedrijven rekenen ook de prijs van hun grondstoffen door. En ook daarvoor betalen zij een bedrag aan rentebetalingen over de afgesloten leningen van dat bedrijf.

Een laatste grote kostenpost van een bedrijf zijn de belastingen die zijzelf betalen en de belastingen die doorberekend zijn in de lonen die ze hun werknemers betalen. Ook een overheid moet rente betalen over de staatsschuld. En ook dat loopt op tot het rendement dat banken aan de overheid verdienen. Dus het rendement van banken is overal in elke prijs doorberekend. En dat loopt op tot een percentage van 30% tot 40% van de prijs van water, huur, voedsel, kleding, computers, telefoonabonnementen, openbaar vervoer, energie, gezondheidskosten, opleiding, enz, enz. tot wel 50% bij sociale woningbouw.

Ook als een bedrijf of andere organisatie alles financiert met eigen vermogen, is het de gewoonte dat in de kostprijs een rentepercentage wordt doorberekend. Het geld op een spaarrekening bij de bank had immers ook rente opgeleverd, bij belegging in aandelen en obligaties waarschijnlijk nog meer. Bedrijfseconomische leerboeken schrijven dit voor, bedrijfsadviseurs bevelen dit aan. Je bent een dief van je eigen portemonnee als je het niet doet. (Niet alle bedrijven kunnen de rente over het eigen vermogen doorberekenen in de kostprijs. Boeren, tuinders, zelfstandige winkeliers zijn daartoe vaak niet in staat omdat de marktverhoudingen dat verhinderen.)

 

Is dit nog steeds zo nu de rente heel laag ligt?

De rente die je voor je spaarrekening krijgt is erg laag. Maar wanneer je geld leent (een hypotheek bijvoorbeeld) betaal je nog steeds 1,5 tot 2 % rente. Maar bepalend is niet de actuele rente, maar de historisch gemiddelde rente van de afgelopen 20 tot 40 jaar. In alles wat je koopt wordt nog steeds rente verrekend van leningen die 20 jaar geleden zijn afgesloten (voor de rente uit die tijd). En de rente kan in de toekomst ook weer stijgen. Dus het gemiddelde rendement over een periode van 20 tot 40 jaar is doorberekend niet het huidige rentepercentage. En volgens de aangehaalde wetenschappers is dat dus 30% tot 40%.

 

Argument 2. Door ons geldstelsel is geld schaars waar het nodig is (waar armoede of een gebrek aan koopkracht heerst), en overvloedig aanwezig waar het niet nodig is.

Dat komt ten eerste omdat geld stroomt van arm naar rijk, zoals hierboven beschreven is. Naast dat geld van arm naar rijk stroomt door de kosten van geld, kunnen mensen die arm zijn minder goed aan een lening komen. Ze kunnen de kosten van de lening niet opbrengen. Banken op hun beurt lenen hun geld niet uit aan arme mensen omdat het risico te groot is dat zij hun lening niet terug kunnen betalen. Mensen met veel economische perspectieven (verdienvermogen en/ of onroerend goed) kunnen dus beter aan een lening komen dan mensen zonder economische perspectieven. Een winkelier met een pand in eigendom kan gemakkelijker aan een lening komen dan een markthandelaar met een bestelbusje.

In arme gebieden ontstaat dus schaarste aan geld. En dat heeft een zichzelf versterkend effect. De economische activiteit stokt in arme gebieden omdat er weinig geld wordt besteed. Omdat er weinig economische activiteit is, worden ook producten gekocht die elders op de wereldmarkt geproduceerd worden. Daardoor vloeit elk beetje geld, elke koopkracht, direct weg uit een lokale economie. Het geld stroomt naar de economische centra: daar waar de banken zijn, daar waar al veel koopkracht is.

 

 

Argument 3. Ons geldstelsel is pro-cyclisch, en maakt onze economie instabiel.

In tijden van depressie lenen banken liever geen geld uit. Geld is schaars en de prijs van geld (de rente) is dan hoog. Daardoor is het moeilijk aan geld te komen. Rente versterkt dus de depressie. In tijden van economische voorspoed lenen banken graag geld uit. Ze kunnen er zeker van zijn dat ze het terugkrijgen. Daardoor is geld niet schaars, zakt de rente en wordt er nog meer geleend en is er nog meer economische groei, totdat de schuldenbubbel die zo ontstaat tot wantrouwen leidt en de economie weer instort. Ons geldstelsel van rente en schuld versterkt dus zowel de pieken als de dalen van onze cyclische economie.

 

Argument 4. Ons geldstelsel dwingt tot een concurrentie ‘tot de dood’.

Zoals gezegd komt geld in omloop doordat er geld wordt geleend met rente als prijs. Telkens als er geld geleend wordt moet er dus meer geld terugbetaald worden dan dat in omloop gebracht is. Stel dat er 200.000,- wordt uitgeleend voor een rente van 2,5%, dan heeft de bank in die 30 jaar 275.000,- ontvangen. Maar die 75.000,- is helemaal niet in omloop gebracht. De enige manier om dat bedrag te kunnen betalen is het te verdienen aan iemand anders die ook geld heeft geleend. Maar dat kost de ander de nek. Die kan dan zijn of haar schuld niet terugbetalen. Ons geldstelsel dwingt dus direct een schaarste af, die tot hevige concurrentie leidt.

 

Argument 5. Ons geldstelsel dwingt tot voortdurende economische groei.

De enige andere uitweg uit de situatie hierboven (waarbij er 75.000,– opgehoest moet worden door een concurrentie tot de dood) is dat die 75.000,- betaald wordt doordat iemand een extra lening afsluit ter hoogte van dat bedrag.. In dat geval moet de totale geldhoeveelheid dus continu groeien, met het tempo van de rente. Als de economische productiviteit niet groeit (en je dus niet meer kan kopen als er meer geld in omloop komt) dan verliest geld zijn waarde. Dat is inflatie. En dat betekent dat toch het percentage dat afgeroomd word door de bank (27,27%in dit geval), leidt tot hetzelfde verlies bij anderen. De enige manier om ervoor te zorgen dat dat niet gebeurt is economische groei. Als de productiviteit van de economie groeit met het tempo van de rente mee, dan wordt voorkomen dat mensen verlies draaien door inflatie. En dat betekent een exponentiële groei. Want door rente is de groei van de hoeveelheid geld in omloop exponentieel. Elke euro die in omloop is bij een (historisch gemiddelde) rente van 4% verdubbelt zich elke 18 jaar. Ons geldstelsel dwingt dus via een concurrentiestrijd tot de dood, tot een exponentiële economische groei.

In een geldstelsel zonder rente zou deze groeidwang er niet zijn. Ons geldstelsel is dus verantwoordelijk voor de ecologische destructie die op dit moment plaats vindt door onze economische groei. Willen we klimaatverandering, milieuvervuiling en uitsterven van soorten tegengaan, dan moeten we dus ook het geldstelsel hervormen. Doen we dat niet dan houden we een dwang tot groei in stand.

 

Argument 6. Door ons geldstelsel zijn duurzame ingrepen niet rendabel en ecologisch destructieve ingrepen wel rendabel.

Rente zorgt voor ecologisch storende economische afwegingen. Zou er geen rente zijn dan is het economisch rendabel om te investeren in bos dat je dertig jaar laat groeien. Elk jaar dat je wacht om de bosproducten te oogsten levert extra oogst op. Maar doordat je geldhoeveelheid in 30 jaar exponentieel groeit als je het op een bank zet loop je veel geld mis als je toch in het bos investeert. Een bos laten groeien voor 30 jaar (4% rente als historisch gemiddelde) levert een verlies op. Zouden we een geldstelsel hebben zonder rente, dan zou het opeens economisch lonen om je geld wel te investeren in een bos dat 30 jaar groeit. In ons geldstelsel is het zelfs economisch rendabel om zo snel mogelijk het bos te kappen en het te verkopen en je geld op de bank zetten. In een geldstelsel zonder rente is dat helemaal niet rendabel. Dan kan je beter het rijke ecosysteem in stand houden. In ons huidige geldstelsel, door rente, zijn korte termijn winsten rendabel ten opzichte van lange termijn opbrengsten.

 

Alternatieven

De meeste auteurs hierboven betogen dat we naar een geldstelsel toe moeten zonder rente. Dat haalt een structureel verarmingsmechanisme uit onze economie en een structureel mechanisme dat leidt tot ecologische destructie.

 

Demurrage Fee (stallings-premie of oppot-premie)

Sterker nog vaak betogen ze dat we een demurrage fee (stallings-premie of oppot-premie) zouden moeten betalen als we geld uit roulatie halen. Er worden percentages genoemd van 5% tot 12% per jaar. Dat zou ervoor zorgen dat mensen met heel veel geld hun geld eerder weer uitlenen en investeren, en het dus niet uit roulatie halen om ermee te speculeren.

De meeste auteurs hierboven zijn betrokken bij de ontwikkeling van alternatieven. Wat opvalt is dat zij zich in de praktijk niet bezig houden met een lobby om de Euro renteloos te maken. Zij houden zich in de praktijk bezig met het ontwikkelen van complementaire oplossingen. Dus vormen van geld en instituties die opereren naast de Euro. Margrit Kennedy heeft aan de wieg gestaan van de huidige Duitse ‘Regio’-munten (regionale munten). STRO ontwikkelt software voor complementaire munten en heeft ook gesprekken gehad met banken over de oprichting van een Nederlandse variant van de (Zweedse) YAK bank die renteloze leningen kan verstrekken. Stichting Ons Geld zet zich in voor veilig geld: een full reserve bank zonder rente en schuld.

 

Lokale of Regionale Munten

Er bestaan inmiddels veel lokale of regionale munten. Het ‘Lets’ ruilsysteem is zo’n voorbeeld. Daarbij kan je punten verdienen als je iets verkoopt of een dienst aanbiedt. En met die punten kan je weer goederen of diensten van een ander kopen. Ook de Regio’s in Duitsland, de Bristol Pound en de DAM in Rotterdam zijn voorbeelden van lokale munten. Waar de Lets gericht is op niet-professionele ruilhandel, is een DAM gericht op handel tussen ondernemers. Veel van deze systemen werken als een onderlinge boekhouding. Er gaat geen geld in omloop. Maar je houdt bij hoeveel je elkaar verschuldigd bent. Koop jij een boek van mij dat ik over heb, dan ben jij mij twee euro verschuldigd. We houden dat bij doordat jij twee ‘DAM’ in de min komt, en ik twee in de plus. Degeen die twee in de min stond verhuurt zijn schuurmachine voor 2 DAM. En komt vervolgens weer op 0. Die ander komt 2 in de min. Ik koop een brood die hij gebakken heeft en we komen allemaal weer op 0.

De WIR in Zwitserland is een heel groot nationaal successvolle onderlinge boekhouding tussen bedrijven. Er wordt gezegd dat het de reden is waarom de Zwitserse economie zo stabiel is. De WIR werkt namelijk anti-cyclisch. Je betaalt geen rente over de WIR. Bij een depressie neemt de economische activiteit in WIR toe. Bij economische groei neemt de economische activiteit in WIR af.

Soms is een lokale munt speciaal gericht op het ruilen van goederen, soms speciaal op het ruilen van diensten zoals een tijdbank. Daar ruil je uren werk met elkaar. Doe jij een uur boodschappen voor mij. Dan kan je met die rijdpunten iemand anders inhuren die een uur voorleest voor je kinderen. Als ik me nu inzet om oude van dagen te helpen bouw ik punten op die ik kan uitgeven als ik zelf over een paar jaar zo oud ben dat ik mensen nodig heb die me helpen.

Waarom kan een lokale munt helpen tegen armoede en ecologische destructie? Ten eerste omdat het gaat om een munt zonder rente. Een lokale munt biedt daarom toegang tot goedkoop geld. In een lokale gemeenschap waar de koopkracht uit verdwenen is, kan nieuwe koopkracht ontstaan. Het verbindt ongebruikte hulpbronnen met onvervulde behoeften. Bovendien kan de munt alleen lokaal uitgegeven worden. Daardoor verdwijnt de koopkracht niet uit de lokale gemeenschap of regio. Sommige munten zijn wel inwisselbaar met de gangbare munt, maar pas nadat ze een paar keer lokaal zijn uitgegeven. STRO werkt aan een dergelijke munt in regio’s in Nederland. Doordat er geen rente betaald hoeft te worden stroomt er bij de economische activiteit in die munt ook geen geld van arm naar rijk. En het gebruik van die munt dwingt niet tot een concurrentie tot de dood. Ze zijn er juist eerder op gericht dat de winst van de een ook leidt tot de winst van de ander: onderlinge samenwerking dus. Als je ervoor kan zorgen dat jou leveranciers de lokale munt accepteren en er in floreren, kan jij je lokale munt ook kwijt. Hoe sterker de gemeenschap is en hoe meer economische activiteit er rond gaat, hoe meer je aan de lokale munt hebt. Doordat de lokale munten niet met rente werken dwingen ze dus ook niet tot groei en zijn ook duurzame overwegingen renderend. Het is wel zo dat er tijdelijk lokaal groei ontstaat bij de succesvolle introductie van een lokale munt, maar dat die niet exponentieel is maar stabiliseert. De lokale munten kunnen uberhaupt een stabiliserende (anticylcische) werking hebben op de lokale economie.

 

Banken zonder rente en schuld

Naast lokale munten bestaan er pogingen om een ander soort bank te ontwikkelen (naast de huidige banken). Stichting Ons Geld zet zich ervoor in dat er een Full Reserve Bank komt. Dat is een bank waar je je geld veilig kan stallen zonder dat een bank met je geld winst gaat maken. Daardoor ontstaat de mogelijkheid voor consumenten om te kiezen voor een bank waar je met je geld niet bijdraagt aan een onverantwoordelijke exponentiële groei van geld en waar je zekerheid hebt dat je je geld kan opnemen.

De YAK bank in Zweden heeft een systeem ontworpen dat renteloze leningen mogelijk maakt. Door het ontwikkelen van dergelijke banken creëer je een keuzemogelijkheid voor consumenten en dus werkelijke concurrentie met het huidige monopolie van banken op geldcreatie. De verwachting is dat dergelijke concurrentie ook zijn uitwerking heeft op andere banken. Als je namelijk bij de ene bank een rentevrije lening kan krijgen, waarom zou je dan nog een lening afsluiten bij een huidige bank waar je 4% rente over moet betalen?

 

Auteur:

Rutger Henneman

 


Bronnen:

Arkel, H. van, H. Toxopeus, Een Ander Soort Geld (2014)

Broere, A. Geld komt uit het niets (2012)

Douthwaite, R.J. The Ecology of Money (Schumacher Briefing, 4, 2000)

Gesell, S. The Natural Economic Order (Peter Owen Limited 1958)

Kennedy, M. Interest and Inflation Free Money: An Exchange Medium That Works for Everybody (New Society Publishers 1995)

Kennedy, M. Occupy Money (New Society Publishers 2011)

Lietaer, B. Rethinking money: How new currencies turn scarcity into prosperity (Berrett-Koehler Publishers 2013)

Lietaer, B. The Future of Money (Random House 2002)